OVERZICHTSARTIKELEN

Invasieve pulmonale schimmelinfecties tijdens COVID-19

TvI - jaargang 15, nummer SPECIAL, september 2020

E.B.D. Molendijk MSc, drs. E.A. de Kort , prof. dr. N.M.A. Blijlevens , prof. dr. P.E. Verweij

SAMENVATTING

Sinds het voorkomen van ‘Severe Acute Respiratory Syndrome CoronaVirus-2’ (SARS-CoV-2) wordt steeds meer bekend over het natuurlijk beloop van de virale infectie bij immuuncompetente en immuungecomprommiteerde patiënten. Bij immuungecomprommiteerde patiënten met een hematologische ziekte is het een relevante vraag of COVID-19 een risicofactor is voor een opportunistische infectie, zoals een invasieve pulmonale aspergillose of een Pneumocystis jirovecii-pneumonie. Hoewel invasieve pulmonale aspergillose wordt gerapporteerd bij patiënten die mechanisch worden beademd, moet de waarde van aanvullende diagnostiek om het onderscheid te maken tussen kolonisatie en infectie, verder worden geduid. P. jirovecii-pneumonie lijkt als opportunistische infectie tijdens COVID-19 geen rol te spelen.
(TIJDSCHR INFECT 2020;15(COVID-19-SPECIAL):13-8)

Lees verder

Viraal reservoir en genezing bij hiv: ‘size matters’

TvI - jaargang 15, nummer 4, augustus 2020

drs. B.J. van Welzen , prof. dr. I.M. Hoepelman

(TIJDSCHR INFECT 2020;15(4):133-4)

Lees verder

Gebruik van ‘latency reversing agents’ bij klinische strategieën om hiv te genezen

TvI - jaargang 15, nummer 4, augustus 2020

drs. H.A.B. Prins , prof. dr. A. Verbon , dr. C. Rokx

SAMENVATTING

Strategieën om hiv te genezen richten zich voornamelijk op de manipulatie van het hiv-reservoir. Dit reservoir wordt gevormd door langlevende cellen met hiv geïntegreerd in het genoom, waarbij van transcriptie echter nauwelijks sprake is. Een drastische reductie van het reservoir is bij hiv-patiënten met een hematologische aandoening mogelijk door allogene stamceltransplantaties van een specifieke donor. Voor het overgrote deel van de hiv-patiënten is dit geen haalbaar scenario en zijn alternatieven nodig. Klinische strategieën die gebruikmaken van ‘latency reversing agents’ (LRA’s) kunnen mogelijk de grootte van het reservoir beïnvloeden door reactivatie van virale transcriptie in cellen waarin hiv latent aanwezig is. Deze ‘shock’ of ‘kick’ wordt gevolgd door een antihiv-respons, wat leidt tot een afname van reservoircellen; de zogeheten ‘kill’. Om tot een daadwerkelijke afname van het reservoir te komen, lijkt een krachtige aanpak nodig waarbij meerdere LRA’s samen worden gebruikt, al dan niet in combinatie met boosters van het immuunsysteem. Diverse klinische studies met LRA’s zijn of worden uitgevoerd. Daarbij ontbreekt echter momenteel een assay die voldoende sensitief is om een therapeutisch effect van LRA’s te meten. Ook van belang bij studies met LRA’s is dat bijwerkingen en toxiciteit aanvaardbaar moeten zijn. Dit artikel geeft een overzicht van de huidige stand van zaken omtrent klinische strategieën die gericht zijn op genezing van hiv door gebruik te maken van LRA’s.
(TIJDSCHR INFECT 2020;15(4):135-42)

Lees verder

Risico’s op infecties door zwemmen in open water

TvI - jaargang 15, nummer 4, augustus 2020

drs. A.D. Hintaran , drs. R.E. Joosten , dr. G.J. Sips , dr. G.J.B. Sonder , drs. R. Pijnacker , E. Siedenburg , drs. E.B. Fanoy

SAMENVATTING

Zwemmen in open water brengt risico’s met zich mee. De infectierisico’s zijn onderzocht bij een aantal zwemevenementen in binnenstedelijke wateren. Hieruit bleek dat deelnemers aan zwemevenementen in grachtenwater een verhoogd risico hadden op gastro-enteritis. Bepaalde omstandigheden, zoals hevige regenval voorafgaand aan het evenement, verhoogden dit risico. Naast gastro-enteritis kunnen ook andere klachten of ziektebeelden ontstaan na zwemmen in open water, zoals zwemmersjeuk en leptospirose. De meest voorkomende klachten na zwemmen in open water zijn mild en kortdurend van aard, hoewel ook een gering risico op het ontstaan van ernstige infecties bestaat. Bij georganiseerde zwemevenementen kunnen maatregelen worden genomen om de risico’s op ernstige complicaties zo klein mogelijk te houden. Het is van belang dat zwemmers geïnformeerd zijn over de risico’s. Kwetsbare groepen, zoals immuungecompromitteerden en zwangere vrouwen, kunnen worden geadviseerd niet deel te nemen. Tot slot is het belangrijk dat artsen weten wat de gevolgen kunnen zijn van zwemmen in open water.
(TIJDSCHR INFECT 2020;15(4):143-8)

Lees verder

Behandeling van COVID-19: een zucht naar degelijke wetenschap

TvI - jaargang 15, nummer 3, juni 2020

dr. A.J.J. Lammers

(TIJDSCHR INFECT 2020;15(3):96)

Lees verder

Werkzaamheid van chloroquine en hydroxychloroquine bij de behandeling van COVID-19

TvI - jaargang 15, nummer 3, juni 2020

M. ter Avest MSc, drs. H.W.H.A. Fleuren , dr. A.S.M. Dofferhoff

SAMENVATTING

Chloroquine en hydroxychloroquine zijn in de afgelopen maanden bij veel patiënten ingezet als potentiële behandeling voor COVID-19. Beide geneesmiddelen laten in vitro een remmend effect zien op SARSCoV-2, maar de tot nu toe beschikbare publicaties over klinische studies laten wisselende resultaten in vivo zien. Veel van de klinische studies bevatten kleine patiëntaantallen. Ook zijn diverse kanttekeningen te plaatsen bij de studieopzet en -uitvoer. Daarnaast blijkt uit verschillende onderzoeken dat het gebruik van deze middelen gepaard kan gaan met belangrijke en soms fatale bijwerkingen. Op dit moment is er onvoldoende bewijs om te bepalen of chloroquine en hydroxychloroquine effectief zijn bij de behandeling van COVID-19. Goede gecontroleerde, gerandomiseerde studies naar de effectiviteit van chloroquine en hydroxychloroquine bij COVID-19 zijn noodzakelijk, alvorens deze middelen als standaardbehandeling voor te schrijven.
(TIJDSCHR INFECT 2020;15(3):97-104)

Lees verder

Diagnostiek van teken-encefalitis

TvI - jaargang 15, nummer 3, juni 2020

dr. V. Hira

SAMENVATTING

Sinds 2016 is bekend dat het teken-encefalitisvirus endemisch is in Nederland. Bij klachten passend bij teken-encefalitisvirus behoort tekenencefalitis daarom te worden meegenomen in de differentiaaldiagnose. Het klinisch beloop van een infectie met het Europese type is vaak bifasisch, waarbij de patiënt eerst een periode doormaakt met aspecifieke klachten (zoals koorts en hoofdpijn), later gevolgd door een periode met neurologische symptomen. Aangezien moleculaire diagnostiek vaak foutnegatief is, omdat bij presentatie vaak geen sprake meer is van viremie, wordt de diagnose vooral gesteld met serologisch onderzoek van bloed en/of liquor. Hierbij dient rekening te worden gehouden met kruisreactiviteit met andere flavivirussen. Een goede anamnese is cruciaal voor een juiste interpretatie van de resultaten van het serologisch onderzoek.
(TIJDSCHR INFECT 2020;15(3):105-10)

Lees verder